COLUMN: IN DE RIJ

Een experiment. Ik heb zojuist alle berichten gelezen op de site van De Pers en schrijf mijn column over wat mij het meest emotioneerde. Dat is het volgende nieuws: ‘Run op griepprik.’ De eerste zin van het bericht doet me niets. ‘De angst voor de Mexicaanse griep zorgt voor een run op vaccinaties tegen de gewone seizoensgriep.’ Het bekende werk. Nederlanders snappen de dood pas als hij wordt gepresenteerd in de vorm van een levenloos kindje.

Een bejaarde met haar hoofd voorover in een bord vla, dat kennen we wel. Als er kinderen sterven, gaan we pas hollen.

Het is vooral de tweede zin. ‘Woensdag stonden er bij huisartsenposten lange rijen met mensen die hun griepprik kwamen halen.’ Het zit hem vooral in het woordje rij.

Als het even kan vermijd ik rijen. Twee mensen voor me bij de slager… Ik dien nog liever in het Russische leger. Dat is overzichtelijk. Daar is het Westen, let op. Een rij in een slagerij, zelfs van twee personen, kan mijn week verpesten. Een rij betekent moeten horen wat je niet wilt horen. Een vrouw, wijzend naar twee tartaartjes. ‘Hoe moet ik ze bakken? Ik had ze vorige keer gebakken en toen waren ze niet goed gebakken. Ik zei nog tegen Kees, nou mij benieuwen of ze goed zijn gebakken, maar nee hoor. Verkeerd gebakken. Moet ik ze eerst laten schrikken?’

Wat je dan graag zou willen, als rijenhater, is een slager die zwijgend naar achteren loopt, terugkeert met een stuk suddervlees van zeven kilo over zijn schouder, het, nog steeds zwijgend, in beide handen neemt en zo’n tartaarterreurvrouwtje met een aanloop die natte dweil van vlees in haar gezicht slaat. Dat gebeurt bijna nooit.

Slagers leggen geduldig uit hoe dat moet, vlees bakken. Daarna vragen ze of u nog iets blieft. ‘Die salade daar, nee, die, nee die, ja die, daar graag 30 gram van. Ik ben maar alleen. Mijn man is dood.’

Dat is nog maar de rij bij de slager. De rij die woensdagochtend bij de huisarts stond moet vele malen erger zijn geweest. Ook hier weer: ik zou me liever door de Mexicaanse griep langzaam vanuit mijn liezen laten overwoekeren met een uitheemse schimmel, dan dat ik tussen last minute gezondheidsgetraumatiseerden ga staan wachten op een zinloze prik. Dit hoorde ik toen ik het bericht las. ‘Mijn knie is ook niet goed. Hier kijk. Dik met knobbels. Zet uw duim maar eens in mijn knie. Ziet u wel. Dat is toch niet normaal. De dokters staan voor een raadsel. Maar ik zit er mooi mee.’

Daar sta je in een rij, in de regen, en je kijkt naar een vleeskleurige, naar beneden gestroopte kniekous. Dan maar dood.

Nico Dijkshoorn is dichter/schrijver/muzikant. Het liefst alle drie tegelijk. Op een podium.