'Peter van Vossen en Rinus Israel, ik zag ze graag lijden'
Het blijft vreemd. Mannen die aan een lopende band werken en de hele dag appels op de juiste kleur sorteren; ik heb er niets mee. Medewerksters van de Hema die op hun knieën de drop moeten bijvullen en daarna op hun donder krijgen omdat de zoete tussen de zoute lag; het zal wel. Ik voel geen medelijden. Maar Klaas-Jan Huntelaar bij AC Milan; ik leef met hem mee.
Dat is raar. Ik kom uit een arbeidersgezin. Wat Huntelaar wekelijks aan nieuwe schoenen uitgeeft, daar konden wij precies 136 keer per jaar van Chinezen, als we allemaal tegelijk uit één bak nasi goreng met één stokje saté aten. Het is een veelgehoord cliché in de voetballerij. Als een coach zijn team vol verwende iPod-bezitters wil motiveren, gaat hij voor de groep staan en vertelt hij over vroeger.
Ze moeten hun ogen uit hun kop schamen als ze klagen. De bezoekers, de klanten, die elke maandag op een stuk ingezouten pekelvlees zitten te kauwen en tijdens verjaardagen goedkope spiritus schenken, die weten pas wat armoe is! Voor je werk op het veld staan, mooier is er niet. Je zou je moeten schamen als je daarover klaagt. Dat soort teksten.
Veel coaches staan zo in het leven. Je moet als voetballer dankbaar zijn en steeds bedenken dat je een uitverkorene bent. Een slappe zak ben je, in vergelijking met echte arbeiders. Huub Stevens doet standaard zijn hele voorbereiding in de mijnen van Limburg. Moeten zijn spelers kort combineren met een lampje op hun hoofd. Als je niet weet wat ziekte, dood en verlies betekent, dan ben je wat Stevens betreft een verwend jochie.
Je moet God op je blote knieën danken dat je in de voetballerij mag werken. Als je het al werken mag noemen.
Ik heb dat nooit begrepen. Ik sta nog liever zes dagen achter elkaar ergens in een fabriek badstof sokken in een verpakking te vouwen, dan dat ik in de voetballerij zou moeten werken. Een bedrijfstak die qua arbeidsethos en hiërarchie nog ongeveer in de vroege Middeleeuwen zit.
Vraag dat maar aan lijfeigene Mounir El Hamdaoui, die afgelopen zaterdag te laat kwam bij AZ en de thuiswedstrijd tegen NAC Breda vanaf de tribune mocht volgen. Zijn trainer Ronald Koeman gaf er, tijdens de persconferentie na afloop, een enorm lange uitleg bij. Zelden iemand zo tevreden zien kijken na een obligaat verhaal over huisregeltjes. Als je in de bouw werkt en te laat komt, dan laten ze een scheet in je gezicht en lullen ze er verder niet meer over.
In de voetballerij moet je je trainer ook echt trainer noemen. ‘Ja, trainer. ‘Ik zou het niet kunnen. Staat er zo’n pikkie als Robert Maaskant vlak voor je, en tegen hem moet je dan ‘goed, trainer, ik zal erop letten’ zeggen. Vreselijk. Ton du Chatinier… Als hij bedrijfsleider zou zijn bij Gamma, dan liep je langs hem en tikte je hem met een stukje laminaat even op zijn achterhoofd. ‘Lekker weekend gehad, eitje?’
In de voetballerij moet je dat soort figuren opeens met meneer entrainer aanspreken.
Daarom klopt die peptalk van trainers helemaal niet. Het is juist vreselijk profvoetballer te zijn. Je staat dan wel op het gras, lekker in de buitenlucht, maar je moet wél naar wilsonbekwame figuren als Andries Jonker luisteren. Daar sta je dan, met het mooiste beroep ter wereld, te luisteren naar iemand die je onder normale omstandigheden meteen met z’n allen in een sloot zou flikkeren.
In de voetballerij wonen de arbeiders nog vlak om de fabriek heen en wordt er geknikt en nederig gezwegen. Een benauwd wereldje.
En toch leef ik mee met Klaas-Jan Huntelaar. Ik weet niet hoe dat komt. Huntelaar speelt weinig bij AC Milan en áls hij speelt, dan scoort hij niet. Normaal gesproken zou dat me niet raken. Wat heb ik niet een plezier beleefd aan figuren als Peter van Vossen en Rinus Israel. Ik zag ze graag lijden.
Van Vossen, eenzaam in Turkije, verlangend naar een Zeeuwse Bolus; ik kon er alleen maar hard om lachen. Israel, ergens in Roemenië, in een hotelkamer vol slechte schilderijtjes en met een telefoonrekening van 23 duizend euro doordat hij elke avond zijn vrouw verhalen over draadjesvlees liet vertellen; ik moest er alleen maar heel hard om lachen. Bij Klaas-Jan ligt dat anders. Ik heb met hem te doen.
Misschien komt dat doordat Klaas-Jan Huntelaar onafhankelijk is. Nu al. Hij is anders, dat voel je. Hem zul je later niet snel met een magische analysemachine op schoot naast Humberto Tan zien zitten. Huntelaar gaat als hij klaar is met voetballen lekker vissen. Misschien komt het door het verhaal dat Hugo Borst mij ooit vertelde.
Huntelaar zat in de spelersbus en riep opeens heel hard: ‘Kijk, een wielewaal!’ Hij houdt van vogels. Dat is al lief en ook weer eens iets anders dan Gregory van der Wiel, die inmiddels het volledige werk van rapper MC KillaLot op zijn rug heeft laten tatoeëren.
Zo’n jongen, Klaas-Jan Huntelaar, die gun je het beste, al zit hij in een rotberoep. Als hij wordt geïnterviewd, zie je het aan zijn gezicht. Verveling. Hij heeft het allemaal door. Huntelaar minacht de wereld waarin hij verkeert. Natuurlijk, ook hij noemt zijn trainertrainer, maar ik weet zeker dat Klaas-Jan het niet meent. Huntelaar kán helemaal niet onderdanig zijn.
Klaas-Jan voelt authentiek gewoon. Een slimme jongen die het spelletje met lichte tegenzin meespeelt. Een stuk geloofwaardiger dan bijvoorbeeld Foppe de Haan, die zich vier keer per jaar door een documentairemaker laat volgen om nog eens te laten zien hoe lekker gewoon hij is gebleven. Zo zie ik Foppe vooral, als een man die ’s ochtends fotografen opbelt om te vertellen welke route hij doodgewoon door het bos gaat rijden.
Huntelaar is al tijdens zijn carrière als profvoetballer superieur intelligent. Zoals ook Frank Rijkaard dat was. Ongenaakbare mensen die hun eigen gang gaan. Lekker voetballen en daarna met je vriendin op de bank een mooie vogelgids inkijken. Dát is inderdaad het mooiste beroep ter wereld.
Nico Dijkshoorn
'Peter van Vossen en Rinus Israel, ik zag ze graag lijden'
Het blijft vreemd. Mannen die aan een lopende band werken en de hele dag appels op de juiste kleur sorteren; ik heb er niets mee. Medewerksters van de Hema die op hun knieën de drop moeten bijvullen en daarna op hun donder krijgen omdat de zoete tussen de zoute lag; het zal wel. Ik voel geen medelijden. Maar Klaas-Jan Huntelaar bij AC Milan; ik leef met hem mee.
Dat is raar. Ik kom uit een arbeidersgezin. Wat Huntelaar wekelijks aan nieuwe schoenen uitgeeft, daar konden wij precies 136 keer per jaar van Chinezen, als we allemaal tegelijk uit één bak nasi goreng met één stokje saté aten. Het is een veelgehoord cliché in de voetballerij. Als een coach zijn team vol verwende iPod-bezitters wil motiveren, gaat hij voor de groep staan en vertelt hij over vroeger.
Ze moeten hun ogen uit hun kop schamen als ze klagen. De bezoekers, de klanten, die elke maandag op een stuk ingezouten pekelvlees zitten te kauwen en tijdens verjaardagen goedkope spiritus schenken, die weten pas wat armoe is! Voor je werk op het veld staan, mooier is er niet. Je zou je moeten schamen als je daarover klaagt. Dat soort teksten.
Veel coaches staan zo in het leven. Je moet als voetballer dankbaar zijn en steeds bedenken dat je een uitverkorene bent. Een slappe zak ben je, in vergelijking met echte arbeiders. Huub Stevens doet standaard zijn hele voorbereiding in de mijnen van Limburg. Moeten zijn spelers kort combineren met een lampje op hun hoofd. Als je niet weet wat ziekte, dood en verlies betekent, dan ben je wat Stevens betreft een verwend jochie.
Je moet God op je blote knieën danken dat je in de voetballerij mag werken. Als je het al werken mag noemen.
Ik heb dat nooit begrepen. Ik sta nog liever zes dagen achter elkaar ergens in een fabriek badstof sokken in een verpakking te vouwen, dan dat ik in de voetballerij zou moeten werken. Een bedrijfstak die qua arbeidsethos en hiërarchie nog ongeveer in de vroege Middeleeuwen zit.
Vraag dat maar aan lijfeigene Mounir El Hamdaoui, die afgelopen zaterdag te laat kwam bij AZ en de thuiswedstrijd tegen NAC Breda vanaf de tribune mocht volgen. Zijn trainer Ronald Koeman gaf er, tijdens de persconferentie na afloop, een enorm lange uitleg bij. Zelden iemand zo tevreden zien kijken na een obligaat verhaal over huisregeltjes. Als je in de bouw werkt en te laat komt, dan laten ze een scheet in je gezicht en lullen ze er verder niet meer over.
In de voetballerij moet je je trainer ook echt trainer noemen. ‘Ja, trainer. ‘Ik zou het niet kunnen. Staat er zo’n pikkie als Robert Maaskant vlak voor je, en tegen hem moet je dan ‘goed, trainer, ik zal erop letten’ zeggen. Vreselijk. Ton du Chatinier… Als hij bedrijfsleider zou zijn bij Gamma, dan liep je langs hem en tikte je hem met een stukje laminaat even op zijn achterhoofd. ‘Lekker weekend gehad, eitje?’
In de voetballerij moet je dat soort figuren opeens met meneer entrainer aanspreken.
Daarom klopt die peptalk van trainers helemaal niet. Het is juist vreselijk profvoetballer te zijn. Je staat dan wel op het gras, lekker in de buitenlucht, maar je moet wél naar wilsonbekwame figuren als Andries Jonker luisteren. Daar sta je dan, met het mooiste beroep ter wereld, te luisteren naar iemand die je onder normale omstandigheden meteen met z’n allen in een sloot zou flikkeren.
In de voetballerij wonen de arbeiders nog vlak om de fabriek heen en wordt er geknikt en nederig gezwegen. Een benauwd wereldje.
En toch leef ik mee met Klaas-Jan Huntelaar. Ik weet niet hoe dat komt. Huntelaar speelt weinig bij AC Milan en áls hij speelt, dan scoort hij niet. Normaal gesproken zou dat me niet raken. Wat heb ik niet een plezier beleefd aan figuren als Peter van Vossen en Rinus Israel. Ik zag ze graag lijden.
Van Vossen, eenzaam in Turkije, verlangend naar een Zeeuwse Bolus; ik kon er alleen maar hard om lachen. Israel, ergens in Roemenië, in een hotelkamer vol slechte schilderijtjes en met een telefoonrekening van 23 duizend euro doordat hij elke avond zijn vrouw verhalen over draadjesvlees liet vertellen; ik moest er alleen maar heel hard om lachen. Bij Klaas-Jan ligt dat anders. Ik heb met hem te doen.
Misschien komt dat doordat Klaas-Jan Huntelaar onafhankelijk is. Nu al. Hij is anders, dat voel je. Hem zul je later niet snel met een magische analysemachine op schoot naast Humberto Tan zien zitten. Huntelaar gaat als hij klaar is met voetballen lekker vissen. Misschien komt het door het verhaal dat Hugo Borst mij ooit vertelde.
Huntelaar zat in de spelersbus en riep opeens heel hard: ‘Kijk, een wielewaal!’ Hij houdt van vogels. Dat is al lief en ook weer eens iets anders dan Gregory van der Wiel, die inmiddels het volledige werk van rapper MC KillaLot op zijn rug heeft laten tatoeëren.
Zo’n jongen, Klaas-Jan Huntelaar, die gun je het beste, al zit hij in een rotberoep. Als hij wordt geïnterviewd, zie je het aan zijn gezicht. Verveling. Hij heeft het allemaal door. Huntelaar minacht de wereld waarin hij verkeert. Natuurlijk, ook hij noemt zijn trainertrainer, maar ik weet zeker dat Klaas-Jan het niet meent. Huntelaar kán helemaal niet onderdanig zijn.
Klaas-Jan voelt authentiek gewoon. Een slimme jongen die het spelletje met lichte tegenzin meespeelt. Een stuk geloofwaardiger dan bijvoorbeeld Foppe de Haan, die zich vier keer per jaar door een documentairemaker laat volgen om nog eens te laten zien hoe lekker gewoon hij is gebleven. Zo zie ik Foppe vooral, als een man die ’s ochtends fotografen opbelt om te vertellen welke route hij doodgewoon door het bos gaat rijden.
Huntelaar is al tijdens zijn carrière als profvoetballer superieur intelligent. Zoals ook Frank Rijkaard dat was. Ongenaakbare mensen die hun eigen gang gaan. Lekker voetballen en daarna met je vriendin op de bank een mooie vogelgids inkijken. Dát is inderdaad het mooiste beroep ter wereld.
Nico Dijkshoorn